spelen?

Toen we klein waren, speelden we met alles dat we tegenkwamen: steentjes, luciferdoosjes, een pop, onze vingers, een touwtje.

We konden ermee spelen, omdat we open stonden voor het nieuwe dat al deze doodgewone dingen te bieden hadden: steeds opnieuw hadden we de verwondering als gids bij het onderzoeken van alle kanten en mogelijkheden van een voorwerp of een situatie.

Het was spelen, omdat er geen vooropgezet doel was; geen verantwoordelijkheid, geen resultaatverplichting.
Een uitermate gezonde bezigheid die niet vermoeide, niet ziek of somber maakte en die de tijd bijna deed stilstaan.

Hoe ouder we worden, hoe harder de tijd lijkt te gaan. En ook: hoe minder we spelen. Zou er een verband bestaan?